Tulpenfraude en causaal verband

Beleggingsverliezen kunnen leiden tot klachten van beleggers. Een financiële instelling heeft een bijzondere zorgplicht tegenover haar particuliere cliënt. De omvang van de zorgplicht hangt af van de aard en omvang van de dienstverlening en de overige omstandigheden van het geval. Zie voor meer artikelen over de zorgplicht bij effectendienstverlening mijn E-Book.

 

In mijn advocatenpraktijk behandel ik klachten en voer ik procedures over aansprakelijkheid bij beleggingsverliezen. De rechter of bindend adviseur, zoals het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (‘KiFiD’), moet vaststellen of sprake is van schending van de bijzondere zorgplicht en of de klant daardoor schade heeft geleden.
Het causale verband tussen die zorgplicht en geleden schade, was een discussiepunt in een arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2020 dat ik hierna bespreek.1

Tulpenfonds

De bank had haar vermogensbeheerklant een beleggingsfonds geadviseerd dat belegde in nieuwe tulpenrassen. De bank had de klant per brief op de beleggingsmogelijkheid gewezen en de klant informatiemateriaal waaronder een prospectus verstrekt.2 Ook was de bank bij een voorlichtingsbijeenkomst van potentiële beleggers aanwezig, waar de klant op uitnodiging ook was. Daarnaast financierde de bank de belegging van de beleggers. De klant kocht in juni 2003 drie participaties in het beleggingsfonds voor totaal € 303.000. De bank ontving daarvoor een plaatsingsvergoeding.
Enige tijd later ging het beleggingsfonds failliet. Er bleek sprake van fraude en transacties in tulpenbollen hadden in het geheel niet plaatsgevonden. De belegger eiste van de bank zijn inleg als schadevergoeding voor onzorgvuldig handelen en niet passend beleggingsadvies.

Causaal verband

Van causaal verband is sprake als de schade in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de bank berust, dat deze schade haar, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegereken.3 Het rechtstreeks verband tussen handelen en aansprakelijkheid moet worden vastgesteld en vervolgens moet worden geoordeeld over de toerekening van de schade. Voldoende voor het aannemen van genoemd verband is een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de schade niet zou zijn ontstaan bij het wegdenken van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust.

Oordeel rechtbank

De rechtbank oordeelde in 2016 dat sprake was van schending van de zorgplicht, maar dat de schade niet in verband stond met de onjuiste advisering door de bank.4 De rechtbank oordeelde dat verlies kwam doordat het beleggingsfonds door fraude failliet was gegaan. Daarbij hadden gerenommeerde partijen het prospectus getoetst en van een goedkeurende accountantsverklaring voorzien. Ook beschikte het fonds over de vereiste AFM-vergunning. Tot slot oordeelde de rechtbank dat niet is gebleken dat de bank bij eigen onderzoek had moeten weten dat de betrokkenen bij het fonds zich niet aan de afspraken van het prospectus zouden houden en fraude zouden plegen. Zij wijst de vordering af.

Oordeel hof

Anders dan de rechtbank, oordeelde het hof dat er causaal verband bestaat tussen het handelen van de bank en de belegging door de klant. De eiser had zijn beslissing om te beleggen gebaseerd op het voorstel van de bank, het voorlichtingsmateriaal dat de klant heeft ontvangen en de voorlichtingsbijeenkomst die hij heeft bezocht. Het hof oordeelt verder dat een zodanig verband bestaat tussen de schade – van eisers als gevolg van het waardeloos worden van zijn participaties door het faillissement van het fonds – en het handelen van de bank, dat de schade aan de bank kan worden toegerekend.

Daarvoor was redengevend dat de bank als financier en pandhouder de transactieoverzichten ontving. Daaruit bleken onwaarschijnlijke hoge omzetten en grote verschillen tussen aan- en verkoopprijzen van nieuwe tulpenrassen. Gezien de totale omvang van de markt van € 100 miljoen, konden de speculatieve termijntransacties voor € 73 miljoen niet kloppen en daarmee de inbaarheid van de vorderingen van beleggers op het fonds ook niet. Doordat de bank onvoldoende onderzoek naar de transacties heeft gedaan kon de schade haar worden toegerekend, aldus het hof.

Het hof veroordeelt de bank de gehele inleg aan de belegger terug te betalen. De bank is daar niet mee eens. Zij verzoekt om vernietiging van de uitspraak bij de Hoge Raad en stelt dat sprake is van een onjuiste motivering en onjuiste vaststelling van het causale verband.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad vindt dat het vereiste causaal verband tussen schending van de zorgplicht en schade alsook de toerekening van de schade onjuist is.
Ten eerste heeft het hof de bank uitsluitend verweten dat zij haar klant niet heeft geïnformeerd dat zij geen eigen oordeel had over het prospectus en daarmee de indruk gewekt dat zij achter het fonds stond. Het hof kon op basis van de schending van deze verduidelijkingsplicht niet tot een causaal verband komen. De Hoge Raad oordeelt:

Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door mede op grond van gedragingen met betrekking waartoe het hof de bank geen verwijten heeft gemaakt (niet als onrechtmatig is geoordeeld dat de bank geen onderzoek heeft gedaan) het condicio sine qua non verband met de schade aan te nemen.5

Ten tweede oordeelt de Hoge Raad dat de beoordeling welke schade als gevolg van voornoemd verwijt aan de bank kan worden toegerekend niet juist is. Het hof heeft niet vastgesteld dat de bank ter zake van het achterwege laten van onderzoek een verwijt treft. De Hoge Raad verwijst de zaak naar een ander hof die het causaal verband en de toerekening opnieuw moet onderzoeken.

Slot

Het aantonen van het causaal verband tussen schending van de zorgplicht van de bank en de schade die een belegger heeft geleden kan feitelijk, maar ook juridisch complex zijn. Ik acht het wel mogelijk dat uiteindelijk wordt geoordeeld dat geen sprake is van causaal verband, zodat de belegger geen schadevergoeding krijgt.


Over de auteur

Mr. J.M. (Jaap) Penders 
Advocaat financieel recht en ondernemingsrecht. Heeft u vragen over dit onderwerp dan kunt u contact opnemen met Jaap, penders@brunet.nl of (024) 381 09 90.


 

  1. Hoge Raad 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:28. Ik ben niet inhoudelijk bij deze zaak betrokken.

  2. Daarbij gaf de bank aan dat het rendement 30% kon bedragen en het maximaal mogelijke neerwaartse risico 18,3% van de inleg was.

  3. Artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek.

  4. De schending van de zorgplicht werd aangenomen, omdat de bank de indruk had gewekt dat zij achter het fonds stond en dat zij duidelijk had moeten maken dat zij geen onderzoek naar het fonds had gedaan en geen oordeel had over de prospectus en brochure. De Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad spreekt in zijn beoordeling van deze zaak over een verduidelijkingsplicht.

  5. De AG geeft aan dat beslissend moet zijn of de belegger dezelfde keuze zou hebben gemaakt als de bank haar positie aan hem zou hebben verduidelijkt. Daarbij is de stelling van de bank relevant dat de belegger altijd zijn compagnon volgde (die ook had belegd in het fonds).

Kunnen wij u helpen?

Velden met een (*) zijn verplicht

Om spam te voorkomen, vragen wij u onderstaande aan te vinken.